COVS Amersfoort e.o.
(deze pagina werd laatst bijgewerkt op 30-12-2007 11:18 )




Lichaamstaal spreekt! Bron: FIFA-magazine

Zuid-Amerikanen staan net zo bekend om hun gebarentaal als voetballers, die bekend zijn vanwege hun balkunsten. Voor scheidsrechters in het algemeen verdient het aanbeveling te leren hoe ze hun eigen lichaamstaal net zo kunnen gebruiken als hun scheidsrechtersfluit en hun kaarten, teneinde goed te kunnen communiceren.

Ervan uitgaande dat alle scheidsrechters de regels van buiten kennen en in een buitengewoon goede conditie verkeren, resteren alleen de details die het verschil tussen de gemiddelde arbiter en de echte topper veroorzaken – details zoals het aanvoelen van de wedstrijd en de denkwijze van de spelers, maar ook de verbale en fysieke manier waarop zij zich uiten. De leidsman die deze zaken beheerst, vermijdt veel problemen door een natuurlijk gevoel voor de “voorkomen-is-beter-dan-genezen-strategie”.

Het kaartsysteem is tijdens het WK in Mexico, 1970, ingevoerd, niet in de laatste plaats om beter te kunnen communiceren met publiek en journalisten. Maar voor een speler is een kaart krijgen een publieke afstraffing en zodoende tevens vernedering. Vandaar dat het veel beter zou zijn als deze situatie afgehandeld zouden kunnen worden, zonder dat de scheidsrechter van de procedure van kaarten geven een arrogante vertoning maakt. Hij heeft immers nog steeds met een mens te maken en stuurt geen hond terug in zijn hok of i.d. Niets is irritanter dan scheidsrechters die hun persoonlijke manier van waarschuwen of wegzenden van een speler overnemen van een ander. Sommigen bewijzen zichzelf absoluut geen dienst door bij een speler op een onnodig agressieve manier met een kaart voor zijn neus te zwaaien en zodoende autoritair gedrag vertonen i.p.v. een autoriteit te zijn; een natuurlijk gevoel voor gezag is aangeboren en heeft geen verbeelding of badge nodig om dat te verdedigen.

Zo mag het ook duidelijk zijn, dat een scheidsrechter de woede van het publiek op zijn hals haalt door de kaarten van de bezoekers opvallender te tonen dan die van de thuisclub of andersom.

Vanzelfsprekend is het aan iedere scheidsrechter zich bewust te zijn van zijn persoonlijkheid, maar een arbiter uit zichzelf in het bijzonder door agressieve gebaren, die onbewust onzekerheid aangeven in een op zich correcte beslissing. Dit doet me herinneren aan een incident tijdens een wedstrijd aan het begin van mijn carrière, die mijn benadering naar spelers beïnvloedde. Ik moest eens twee aanvoerders bij me roepen om hun spelers te kalmeren, toen één van hen – een internationaal aanvoerder – bij me kwam, z’n  hand op mijn schouder legde en vriendelijk zei: ”Misschien moet je zelf even tot rust komen.”
Dit was een les voor mij, dat me later door veel moeilijke momenten in mijn carrière heeft heen gesleept.

In ons normale dagelijkse leven hoeven we ook onze armen niet ten hemel te spreiden om serieus genomen te worden, dus waarom zou dit niet gelden voor arbiters in voetbalwedstrijden, die ogen in hun achterhoofd moeten hebben, omdat ze onder constante druk staan? Vaak wordt gezegd dat een goede scheidsrechter niet opvalt, zelfs als een goede, maar impopulaire maatregel hem in het middelpunt van de belangstelling brengt.

Een klein teken, een opgestoken duim misschien, naar één van de assistenten aan de zijlijn kan wonderen doen, hem geruststellen na een moeilijke beslissing kan hem het gevoel geven deel uit te maken van het arbitrale trio, terwijl een handgebaar naar de keepers voor de aftrap ook een gevoel van betrokkenheid teweegbrengt.

Oudgedienden mogen beweren dat een arbiter zijn ogen nooit moet neerslaan als hij tegenover een speler staat, omdat dat een teken van zwakte is, maar een bepaalde blik kan dikwijls veel welsprekender zijn dan verspilde woorden, die enkel olie op het vuur gooien.

Hier en daar een kleine knipoog neemt de spanning weg en geeft aan dat de leidsman slim genoeg is om te weten wat er aan de hand is, terwijl opgeheven wenkbrauwen onder andere omstandigheden voldoende zijn om een speler zijn mond te laten houden, zonder dat daar een kaart aan te pas komt.

Al met al zou een goed scheidsrechter zijn toevlucht niet moeten nemen tot het gedrag van een kleine Napoleon met een heel repertoire aan onderdrukkende gebaren als een simpel toegeëigend gebaar afdoende is: subtiel voor een kleine overtreding, maar fors, als duidelijk gemaakt moet worden dat de grens niet overschreden mag worden. En vanzelfsprekend zijn er ook situaties, waarin met behulp van een (glim)lach de confrontatie uit de weg gegaan wordt.

De arbiter is verplicht duidelijk aan te geven aan welk team de vrije schop wordt toegekend, maar de manier waarop hij dat doet zegt veel over zijn persoonlijkheid; hij doet er goed aan nooit zo te kijken alsof hij een geweer in een bepaalde richting afschiet. Het oordeel dat hij velt is immers nooit de doodstraf.

Mensen vragen mij hoe spelers nu begrijpen wat de scheidsrechter heeft beslist tijdens een wedstrijd. Afgezien van het feit dat voetbal zijn eigen taal spreekt, heeft het afgesproken signalen voor bepaalde situaties (een gestrekte arm voor een doelschop of hoekschop, een opgeheven hand voor een indirecte vrije schop, etc.), die verbale communicatie eigenlijk onnodig maken. En natuurlijk is er ook het fluitje, dat iedere scheidsrechter tot zijn beschikking heeft om naar de aard van de overtreding te gebruiken – zelfs als hij het fluitje in het algemeen minder zou moeten hanteren om de wedstrijd tot een spektakel op zich te maken. En er is echt geen cursus voor nodig om verschillende variaties te kunnen blazen, maar de aard van de overtreding moet terug te vinden zijn in het fluitsignaal en eventueel dient het ertoe om de beslissing kracht bij te zetten.

Echter, de lichaamstaal die de spelers en de fans het best begrijpen, is die van de scheidsrechter die als een getrainde atleet het veld betreedt en die daarmee vanaf het begin stilzwijgend een gebalde vuist toont aan degenen die hem verbaal bejegenen!  

Wilt u reageren op dit artikel? Stuur dan een mail naar de webmaster: